2025.02.23 – Dutch Grammar and Vocabulary – Notes 2


1. Common Sentences (Zinnen – Alphabetical Order in English)

  • I bought a bicycle.Ik heb een fiets gekocht.
  • I bought a short pants.Ik heb een korte broek gekocht.
  • I drank coffee.Ik heb koffie gedronken.
  • I drank wine.Ik heb wijn gedronken.
  • I have no bicycle.Ik heb geen fiets.
  • I have no short pants.Ik heb geen korte broek.
  • I need a bicycle.Ik heb een fiets nodig.
  • I need short pants.Ik heb een korte broek nodig.
  • I saw you.Ik heb je gezien.
  • I slept well.Ik heb goed geslapen.
  • I spoke with the boss.Ik heb met de baas gesproken.
  • I was there.Ik ben daar geweest.
  • I went at 7:00.Ik ben om 7.00 uur gekomen.
  • I will buy a bicycle.Ik ga een fiets kopen.
  • I will buy short pants.Ik ga een korte broek kopen.
  • My bicycle.Mijn fiets.
  • We have slept well today.We hebben vandaag goed geslapen.
  • We have worked a lot this month.Wij hebben deze maand veel gewerkt.
  • We work a lot.Wij werken veel.
  • We shop in Utrecht.We winkelen in Utrecht.
  • Who did you drink coffee with?Met wie heb je koffie gedronken?
  • Why didn’t you work today?Waarom hebben jullie vandaag niet gewerkt?

2. Verbs in Present and Perfect Tense (Werkwoorden – Alphabetical Order in English)

Regular verbs

  • I buyIk koopI have boughtIk heb … gekocht
  • I cycleIk fietsI have cycledIk heb … gefietst
  • I drinkIk drinkI have drunkIk heb … gedronken
  • I eatIk eetI have eatenIk heb … gegeten
  • I learnIk leerI have learnedIk heb … geleerd
  • I readIk leesI have readIk heb … gelezen
  • I sleepIk slaapI have sleptIk heb … geslapen
  • I speakIk spreekI have spokenIk heb … gesproken
  • I thinkIk denkI have thoughtIk heb … gedacht
  • I workIk werkI have workedIk heb … gewerkt
  • I writeIk schrijfI have writtenIk heb … geschreven

Irregular verbs

  • I comeIk komI have comeIk ben … gekomen
  • I goIk gaI have goneIk ben … gegaan
  • I lie (down)Ik ligI have lain downIk heb … gelegen
  • I seeIk zieI have seenIk heb … gezien
  • I standIk staI have stoodIk heb … gestaan
  • I wasIk benI have beenIk ben … geweest

3. Verb Conjugations (Werkwoordvervoegingen – Alphabetical Order in English)

Verb “to have” (hebben) in Present and Perfect Tense:

  • I haveIk heb
  • You haveJe hebt / U hebt
  • He/she/it hasHij/zij/het heeft
  • We/you/they haveWij/jullie/zij hebben
  • I have hadIk heb gehad
  • You have hadJe hebt gehad / U heeft gehad
  • He/she/it has hadHij/zij/het heeft gehad
  • We/you/they have hadWij/jullie/zij hebben gehad

Verb “to be” (zijn) in Present and Perfect Tense:

  • I amIk ben
  • You areJe bent / U bent
  • He/she/it isHij/zij/het is
  • We/you/they areWij/jullie/zij zijn
  • I have beenIk ben geweest
  • You have beenJe bent geweest / U bent geweest
  • He/she/it has beenHij/zij/het is geweest
  • We/you/they have beenWij/jullie/zij zijn geweest

4. Question Formation (Vragen maken – Alphabetical Order in English)

  • Did you work in Rotterdam this week?Heb je deze week in Rotterdam gewerkt?
  • Why didn’t you work today?Waarom hebben jullie vandaag niet gewerkt?
  • Who did you drink coffee with?Met wie heb je koffie gedronken?

5. Expressions & Important Words (Uitdrukkingen en Belangrijke Woorden – Alphabetical Order in English)

  • BossDe baas
  • CoffeeDe koffie
  • I am happy.Ik ben blij.
  • Short pantsDe korte broek
  • Story / storiesHet verhaal / verhalen
  • The market squareHet plein
  • We are at the square.Wij zijn op het plein geweest.
  • WineDe wijn

Published by Leonardo Tomás Cardillo

https://www.linkedin.com/in/leonardocardillo

Leave a comment

Design a site like this with WordPress.com
Get started